![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
| |
IR en Onderwijskwaliteit Een bijeenkomst waarin korte inleidingen over IR en onderwijsbeleid worden afgewisseld met opdrachten en discussies over de betekenis hiervan in de praktijk van de eigen instelling. Voor: institutional researchers en medewerkers bestuurlijke informatie die de effectiviteit van hun bijdrage aan het kwaliteitsbeleid van de eigen instelling willen vergroten Inleider: Peter Hoekstra
Datum: dinsdag 5 september 2006
Kosten
Reader 1. DAIR Leerkringen (wordt uitgereikt) Institutional Research en de kwaliteit van het onderwijs
- Hoekstra J.P. (2006). Institutional Research en de kwaliteit van het onderwijs. In: H.van Hout, G. ten Dam, M. Mirande, C. Terlouw & J. Willems (red.) Vernieuwing in het Hoger Onderwijs, Onderwijskundig handboek. Assen: Van Gorcum. pp 258-270
IR gaat uit van twee optimistische stellingen. De eerste luidt: betere informatie leidt tot betere besluiten. De tweede: betere besluiten leiden tot betere universiteiten en hogescholen. Beide stellingen samen zeggen dat IR, door bestuurders steeds tijdig van adequate informatie te voorzien, bijdraagt aan de kwaliteit van de instelling.
In de workshop gaan we deze stellingen verkennen en uitwerken aan de hand van het belangrijkste kenmerk van universiteiten en hogescholen, het onderwijs. De vragen die deze middag behandeld worden zijn daarom: In deel 1 bespreken we het vak IR en de spanningen die inherent zijn aan deze professie. We doe dit aan de hand van de typologie van IR van Volkwein (1999), gemodificeerd door Yorke (2004). Centraal staat daarin enerzijds de spanning tussen het werken voor verschillende, interne (faculteiten, bestuurders) en externe (Cfi, OCW) afnemers en anderzijds de spanning tussen de verschillende rollen die IR-ers spelen. Daarbij gaat het vooral om de vraag waar “Research” in IR voor staat. Doen we onderzoek? En als we dat doen (bv in de vorm van studenten- of personeelsenquętes), doen we dat dan als beleidsmedewerkers of als onderzoekers? In dit deel bespreken we eerst in hoeverre de typologie van Volkwein en Yorke van toepassing is op het Nederlandse HO, en proberen we vervolgens te verhelderen wat deze spanningen in de praktijk betekenen en hoe we er in de verschillende instellingen mee om (kunnen) gaan. We bespreken daarbij ook de kennis en vaardigheden die IR veronderstelt (Terenzini,1993). In deel 2 van de workshop gaan we in op het begrip “Onderwijskwaliteit”. Is dit een neutraal begrip? Of is het juist erg identiteitsafhankelijk, zoals de verschillende onderwijsvisies van universiteiten en hogescholen suggereren? Aan de hand van een korte beschrijving van twee kwaliteitstheorieën ( INK voor Totale Kwaliteit en Balanced Scorecard) bespreken we de manier waarop het begrip “onderwijskwaliteit’ in onze instellingen wordt gehanteerd en hoe het kwaliteitsbeleid er vervolgens vorm krijgt. We gaan daarbij in op de verhouding tussen kwaliteit en kwantiteit, op de zogenaamde Plan Do Check Act -verbetercyclus van W. Edwards Deming en de noodzaak (én het gevaar) van het benoemen, meten en monitoren van prestaties.
In deel 3 gaan we in op de relatie van IR en Onderwijskwaliteit. Hoe verhouden zij zich tot elkaar? Welke bijdrage kan IR aan het kwaliteitsbeleid leveren als het daartoe de ruimte krijgt en neemt?
Peter Hoekstra was mede oprichter en voorzitter van DAIR, is coördinator Bestuurlijke Informatie/Institutional Research bij de UvA en auteur van het hoofdstuk “Institutional Research en de kwaliteit van onderwijs” in het onderwijskundig handboek “Vernieuwing in het Hoger Onderwijs” Red: Van Hout, Ten Dam, Miranda, Terlouw en Willems; Van Gorcum, 2006.
|
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||