Studiemiddag kengetallen bachelor-master
Donderdag 10 mei 2001
Locatie: Erasmus Universiteit Rotterdam
Verslag door: Arti Ponsen (UL) en Mustafa Yildiz (EUR)
Er waren ca. 30 deelnemers afkomstig uit de universiteiten, de VSNU,
het CBS, het Ministerie van OC&W en de Inspectie van het Onderwijs.
Het programma van de studiemiddag bestond globaal uit drie delen, te
weten:
- inleidingen over de invoering van het bachelor-masterstelsel bij
drie universiteiten;
- workshops;
- plenaire terugkoppeling workshops en evaluatie.
Hieronder zijn de inleidingen samengevat, gevolgd door de bevindingen
in de workshops en de evaluatieronde.
INLEIDINGEN
Inleiding Invoering BAMA aan de EUR
Drs. Christiaan van den Berg, afdeling Onderwijs en Onderzoek EUR
Stadium van invoering: medio juni zal de EUR de bama-nota vaststellen
met daarin een compleet overzicht van het komende BAMA-aanbod. Honours-trajecten
zijn nog niet uitgewerkt.
Uitzondering: Geneeskunde blijft voorlopig een ongedeelde opleiding.
Start: september 2002 alle BA’s, 1-jarige MA’s in 2002 of 2003;
als het MA 2 jaar duurt, is er financiële onderbouwing nodig. Voor
de onderzoeksmaster wordt gestreefd naar een sequens van 3-jarig BA, 2-jarige
Onderzoeks-MA, 4 jarig promotietraject en daarna postdoc. De overgang zal
niet cohortsgewijs geschieden, maar in één keer.
Duur: BA 3 jaar, MA vooralsnog 1 jaar (afhankelijk van bekostiging).
Een aantal opleidingen zal proberen binnen de huidige financiering 1½
-jarige masters te organiseren door bedrijven bij de opleiding te betrekken
die een stagevergoeding kunnen bieden.
Major/minor: met name in de eindfase van het BA. Er kan onderscheiden
worden in drie niveau’s van de vakken: inleidend, verdiepend en gevorderd.
Propedeuse: mogelijk blijft de propedeuse binnen de EUR bestaan
(waarschijnlijk niet als bekostigingsmoment).
Opmerkingen: de EUR verwacht weinig uitstroom na het BA.
Inleiding Invoering BAMA aan de UvA
Drs. Linda de Greef, Academische Zaken, UvA
Stadium van invoering: decentrale aanpak; veel vrijheid voor
de faculteiten.
Uitzondering: Geneeskunde en Tandheelkunde.
Start: uiterlijk september 2003; invoering wel per faculteit
tegelijk, maar niet voor de hele UvA hetzelfde. Geesteswetenschappen, Economie
en FNWI (de bèta-opleidingen) starten in 2002, waarbij FNWI alleen
de doctoraalfase herstructureert, die al 2 jaar duurt. De keuze om in één
keer of cohortsgewijs over te schakelen wordt nog met faculteiten besproken;
dit moet voor de gehele UvA gelijk worden; de voorkeur gaat voorlopig uit
naar overgang ineens. Er wordt gedacht aan het creëren van twee instroommomenten
in het MA per jaar. Honours-programma’s zijn nog in discussie.
Duur: bèta-MA’s 2 jaar (=bestaande situatie); verder
niet expliciet besproken; de indruk is dat de andere faculteiten het nog
laten afhangen van de financiering.
Propedeuse: geesteswetenschappen wil de propedeuse behouden;
Economie en Rechten niet.
Opmerkingen: in alle BA’s van de UvA zit 42 stp vrije keuzeruimte;
de diverse MA’s kunnen eisen stellen aan de invulling daarvan om voor toelating
tot een bepaald MA in aanmerking te komen. Volgens een enquête onder
de studenten wil 66% na het BA doorgaan met een MA, terwijl 17% wil promoveren.
De UvA heeft plannen om te fuseren met de Hogeschool van Amsterdam; de
bedoeling hiervan is om duidelijker te profileren tussen HBO- en WO-masters.
Er komen drie onderwijsmodellen: wetenschappelijk onderwijs gericht op
onderzoek, wetenschappelijk onderwijs gericht op de praktijk en praktijk
gerichte opleidingen (=HBO).
Inleiding Invoering BAMA aan de VU
Drs. Liduine Bremer, Bureau Bestuursondersteuning, VU
Stadium van invoering: in december 2000 is het Centraal Kader
vastgesteld, dat per faculteit is. Er wordt met ingang van BAMA een uniforme
universitaire kalender ingevoerd (semesterstrucuur).
Uitzondering: Geneeskunde en Tandheelkunde.
Start: september 2002.
Duur: 3-jarig BA met 1-jarig MA, op een aantal opleidingen na
dat nog tracht bekostiging te vinden voor 2-jarige MA’s. Economie wil postdoctorale
masters opzetten (top-masters).
Propedeuse: de bèta-opleidingen schaffen de propedeuse
af en gaan naar kandidaatsexamen BA; Sociale Wetenschappen creëert
voor alle 15 masters één gezamenlijk eerste jaar BA, met
propedeuse (waarna wordt ingestroomd in diverse 2-jarige vervolg-bachelors).
Opmerkingen: de VU wil zoveel mogelijk masters in het engels
aanbieden; hiertoe worden docenten zonodig bijgeschoold. Economie ontwikkelt,
naast de eigen MA’s, zgn. speerpunt-masters (voertaal engels) voor de internationale
markt. Er zijn plannen tot fusie met HBO-instellingen in Zwolle; met Universiteit
Twente wordt gewerkt aan een “Digitale Universiteit”.
Stellingen: gelaagde structuur kengetallen wordt nodig: opleiding
als eenheid van analyse is te fijnmazig voor bestuurders. Een nieuwe eenheid
moet worden ontwikkeld: cluster of disciplinegebied.
Er moet meer worden gedifferentieerd naar categorieën instromers,
vooral in de masterfase.
WORKSHOPS EN PLENAIRE TERUGKOPPELING
De dagvoorzitster, Lilian Jillissen (EUR) gaf toelichting op de vraagstellingen
alvorens de groepen uiteen gingen.
Wat zijn de consequenties voor de kengetallen van de volgende veranderingen:
-
De ijkmomenten verschuiven (propedeuse bij een groot aantal opleidingen
opgeheven; BA komt er weliswaar als examen bij, maar de studievoortgang
kan dan pas na 3 jaar worden gemeten).
-
Met name de masters moeten op één of andere manier geclusterd
worden om ze onderling vergelijkbaar te houden. Maar de instellingen zullen
juist trachten om unieke masters aan te bieden. Bij enkele universiteiten
bestaat straks zelfs de faculteitsindeling niet meer.
-
De horizontale instroom in masters vanuit bachelors van de eigen instelling
wordt complexer, de instroom van buitenaf met bachelors van een andere
instelling of een buitenlands BA wordt groter en moeilijker te meten.
-
In ieder geval in de masters ontstaan meerdere instroommomenten per jaar.
Workshop 1: Moment van overgaan op bachelor-master
Er zijn grote verschillen tussen de universiteiten en daarbinnen tussen
de faculteiten en zelfs binnen de faculteiten m.b.t. het moment van overgaan
op bachelor-masterstelsel. De invoering van het stelsel heeft grote gevolgen
voor rapportages zoals KUO. Een heleboel definities en vergelijkbare gegevens
zullen verdwijnen. Hier ligt een taak voor VSNU om nieuwe landelijk vergelijkbare
gegevens te bevorderen. Tot 2006 wordt elke vergelijking moeilijk. Er zou
gestreefd moeten worden naar een landelijke oplossing in plaats van per
instelling BAMA in te voeren. De grotere diversiteit die ontstaat in instroom-categorieën
zou nu reeds moeten worden uitgesplitst.
Workshop 2a: Ongedeelde opleidingen
Er zullen weinig ongedeelde opleidingen blijven. Bij ongedeelde opleidingen
kunnen huidige rendementen blijven bestaan. Bachelorrendement bij gedeelde
opleidingen zal goed mogelijk zijn; bij master wordt de vergelijkbaarheid
moeilijk. Het het aantal bachelors wordt niet zo groot, terwijl het
aantal masters enorm zal toenemen; daarnaast komt er een grote verscheidenheid
in het onderwijsaanbod.
Misschien kan bij master een hoger aggregatieniveau helpen, maar hoe
dit te clusteren is nog helemaal de vraag.
Workshop 2b: Wijze van instroom in masters
Er komen in de nieuwe situatie meerdere peilmomenten omdat studenten
zich strategisch in en uit zullen schrijven. Hierdoor zullen er veel verschillende
categorieën studenten ontstaan. Uitstroom uit de bachelor (waar gaan
ze naartoe) en instroom in de master (waar komen ze vandaan) dienen goed
te worden gemonitord.
De internationale mobiliteit van studenten zal ook toenemen, wat momenteel
niet eenvoudig te monitoren is.
Workshop 3a: Verschillen in zwaarte in inhoud van de onderwijsprogramma’s
Er zal meer differentiatie moeten worden aangebracht in de instroom,
maar de huidige KUO-definities van de instroom kunnen wel gehandhaafd blijven.
De samenstelling van de instroom in het MA dient gedefinieerd te worden
in herkomst-categorieën zoals bij de huidige KUO propedeuse-instroom
cijfers. Het master-rendement kan worden opgezet conform het huidige postpropedeuse-rendement.
Het huidige studierendement moet gesplitst worden in BA- en MA-rendement,
met onderscheid tussen 1-jarige en 2-jarige masters.
De clustering van master-opleidingen wordt een groot probleem; mogelijk
kan de indeling gevolgd worden die het accreditatie-orgaan gaat opzetten.
Aangezien de meeste masters zich voor accreditatie zullen gaan vergelijken
met masters van buitenlandse zusterinstellingen zou het KUO eigenlijk internationaal
moeten worden.
Workshop 3b: Accreditatie opleidingen
Alle nieuwe opleidingen zullen geregistreerd moeten worden om te kunnen
worden erkend (óók topmasters die voor hoger collegegeld
worden aangeboden); overleg tussen VSNU en Ministerie loopt over de vraag
of dit rechtstreeks in het CROHO moet geschieden, of middels een procedure
per instelling, waarbij de Raden van Toezicht een eerste schifting maken
alvorens het pakket aan opleidingen aan de Minister wordt voorgelegd. De
eerste accreditatie-ronde moet plaatsvinden in 2004. Het accreditatie-orgaan
wordt ingesteld in 2002.
Workshop 4: Het wel/niet handhaven van een propedeuse-examen
Het propedeuse-rendement is als zodanig geen waardevol item meer, omdat
de propedeuse niet universeel gehandhaafd blijft. Het meten van behaalde
stp’s na het eerste jaar (42 stp) is wél zinvol. Dit zal echter
van de instellingen een strakkere registratie vereisen: met name verleende
vrijstellingen zullen in stp’s moeten worden uitgedrukt (anders vallen
de rendementen onterecht laag uit). Bovendien kunnen op dit moment niet
alle instellingen de behaalde aantallen stp’s centraal leveren.
Het weergeven van postpropedeuse-rendementen blijft zinvol voor die
opleidingen waar de propedeuse wordt gehandhaafd, maar om elders met een
“42-stp-rendement” te gaan werken, is té verwarrend. Herinschrijvingsgedrag
is een (betwiste) mogelijkheid. Hier ligt een taak voor werkgroep KUO;
men wil dit liever niet via IBG/CFI regelen.
Percentages omzwaaiers en uitval worden ook belangrijker, terwijl bachelorrendement
en masterrendement als nieuwe gegevens erbij komen; bij masters kunnen
de rendementen per master opnemen, de gebruiker bepaalt waarmee vergeleken
wordt. De clustering lijkt nl. ingewikkeld te gaan worden.
Workshop 5: Gevolgen aanbieden masterprogramma’s door HBO’s
KUO uitbreiden tot HBO-opleidingen is niet zinvol, omdat de opleidingen
onderling onvoldoende te vergelijken zullen zijn; het zou echter wél
weer nuttig zijn als er op Europees niveau vergeleken kan worden en zou
een beter inzicht kunnen geven in de stromen van HBO naar WO en vice versa.
In dat geval kunnen studieprestaties bij diverse instellingen o.b.v.
studiepunten worden gemeten.
In het schema hieronder worden de overwegingen om wel of niet een HO-breed
kangetallenproject te beginnen opgesomd, gevolgd door de overwegingen om
studieprestaties wel of niet met studiepunten te meten:
| Wel HO-breed project, want ... |
Geen HO-breed project, want ... |
| Voor internationale vergelijking is dit nuttig/noodzakelijk |
HBO-bama is niet gelijk aan WO-bama |
| Flexibele uitwisseling van gegevens tussen HBO
en WO |
Het is niet strategisch |
| Er ontstaat zicht op studentenstromen in subsystemen. |
WO is anders dan HBO; niet alles op een hoop
gooien |
| Zelfde systematiek gebruiken bevordert de vergelijkbaarheid |
|
| |
|
| Studieprestaties meten met studiepunten (stp),
want ... |
Prestaties niet meten met studiepunten, want
... |
| Goede vergelijkingen zijn straks alleen met
stp mogelijk (alternatief voor p-diploma dat vervalt) |
Studenten met veel en weinig stp zijn moeilijk
te vergelijken. |
| Betere "houdbaarheidsdatum" |
De relatie tussen stp en studieprestatie is
niet echt duidelijk. |
| Stp in relatie met diplomarendement is nuttig |
Er komen nieuwe toestvormen (competenties meten);
stp alleen is dus niet voldoende |
| Studiepunten kunnen als instroomkenmerk worden
gehanteerd |
Geen stp behaald betekent nog niet dat men niets
heeft geleerd |
Algemene opmerkingen/conclusies over alle workshops:
-
Algemene conclusie is dat met de komst van het bama-stelsel andere kengetallen
gedefinieerd moeten worden om vergelijkingen te kunnen blijven maken.
-
Er zijn verschillende meningen over of studiepunten wel of niet gebruikt
kunnen worden als alternatief voor propedeuserendement, en als meetinstrument
voor studievoortgang in het algemeen.
-
In de bachelorfase is goed inzicht nodig in de uitstroom en in de masterfase
in de instroom van studenten.
-
Gezien doelstelling bama (internationale mobiliteit bevorderen) is nodig
dat KUO en andere rapportages internationale gegevens bevatten.
-
Het is nog een punt van discussie of en zo ja hoe de masters geclusterd
moeten worden.